Het is oudejaarsavond. Youp, blijkbaar een George gelijkend, spreekt van een helder licht bij de wisseling van de jaren dat ons weer terugbrengt naar onszelf, naar wie we waren. Mij valt bij die woorden iets in.
Het is nieuwjaarsdag, al laat. Ik heb twee handen vol bier en iemand heeft me er net op gewezen dat ik iets verkeerd heb gedaan. Schuld.
Het is nieuwjaarsnacht en ik kijk met twee nieuwe biertjes naar de vrienden om me heen. De schuldspreker en de hervormde begeven zich op de dansvloer, op jacht, op zoek, naar inzicht. Ik kijk toe hoe ze twee vrouwen benaderen en tijdens het dansen contact maken.
Het is nieuwjaarsnacht. Ik sta in een rookruimte, impotent omdat ik niet rook, maar het maakt niet uit, ik heb nog twee biertjes vast, en een idee voor een app, die ik uitwerk in mijn beschonken kop. Een rokersvriend van me raakt aan de praat met twee meisjes. Ik kijk toe, maar denk aan code en interfaces. De hervorming valt me niet op.
Het is nieuwjaarsnacht. Ik heb één hand leeggedronken. De linker. Door mijn hoofd speelt het afgelopen jaar nog na, stukjes en beetjes van een chronologische film, flitsen, in verkeerde volgorde.
Wat heb ik gedaan? Wie ben ik geweest? Hoe ben ik geweest?
Het is nieuwjaarsdag. Ik vind een javascript framework die me aanspreekt. Hier moet ik snel iets mee doen. In mijn site hangen? Ik ben er enthousiast van geworden.
Het is nieuwjaarsnacht, bijna echt ochtend. De eerste zonnestralen tasten de horizon af op zoek naar iets. Op zoek naar mij. Niet gericht, niet bedoeld slaat het licht in op mijn ogen. Wie ben ik geweest? Code. Schuld. Interfaces.
Iets valt me in, niet over mij. Wel over mij. Nee. Het is veranderd. Vriendschap is vervallen tot betichting. Vriendschap is hervormd. Iedereen is veranderd. Ik ook. Maar voor het eerst is dat gebeurd zonder dat ik het me heb gerealizeerd. Zonder dat ik er leiding aan heb kunnen geven. Het is gebeurd. Het moest. Het is groter dan ik, net als de horizon, maar het licht daarvan is nog zoekende. Ik ben nog vrij. Het kan nog anders. We kunnen niet meer teruggebracht worden naar onszelf, naar wie we waren. Maar we kunnen nog vooruit. De realisering kan nog anders. De twee glazen zijn leeg.
Bezoek aan Eden
Een poging tot rust
Het park voelt koel aan, wanneer ik door het stalen hek binnen treedt in dit buiten. Een zoete lentelucht vindt zijn weg naar mijn neus en longen en verwarmt me, ondanks dat het fris is.
Ik glimlach.
Het park heeft geen menselijke bezoekers, behalve mijzelf. Het is desondanks niet leeg. Bomen tonen hun kalme grootte, planten hun onmogelijk groen. Een enkele krokus breekt met het groen-bruine palet.
Ik kom tot rust.
De lange arm van de werkdag glijdt van me af en weet me niet meer te boeien. Ik begin aan mijn routine. Nu ben ik pas echt vrij. Ik begin op rustig tempo te rennen. De wind stroomt door mijn haar. Ik voel kou op mijn voorhoofd. Mijn ogen beginnen te tranen. Het spoelt de stress van het gelaat.
Ik lach, ik hijg.
De gebaande, uitgedachte paden leiden me door al het moois van deze tuin. Hier is geen ongeluk, geen moeten, geen druk der beleving. Hier is slechts leven. Ik voel het leven in me; het bloed dat door de aderen stroomt, rondgepompt door een zwaar kloppend hart, zweet onststaat op de huid, spieren zwellen op en strekken zich daarna. Ik ben geen slaaf van de levenden, maar van het leven.
Alles is rust.
Ik ben gelukkig.
Dan hoor ik boven het ruisen van de wind een ander geluid. Een licht fluitende, maar onheilspellende toon.
Het wordt schaduwig. Een andere wind speelt een vuig spel met de beplanting en mijn haar. Een beklemmend gevoel overstemt geluk. Ik word onrustig.
Het wordt donkerder. Het geluid neemt in bas toe en spoelt alle kalme tonen van dier en plant weg. Een arm pakt mijn schouder en trekt hard. Ik draai me gedwongen om. De werkdag trekt aan me. Alle werkdagen van deze week doen dat. Alle werkdagen van deze maand, dit seizoen, dit jaar, alle jaren sleuren me terug naar de hekken. Ik verzet met alle macht.
Ik win dit niet. Het geluid is een front geworden dat zo luid is dat mijn trommelvliezen een klaagzang zingen. Ik bemerk daarvan alleen de pijn. Stekende pijn. De aarde trilt, de wind trekt me in de tegengestelde richting van de werkdagensleur.
Ik ben een speelbal van alles om me heen. Mijn eigen kracht doet er niet toe.
Maar dan laten de armen los. Totale duister slaat toe. Ik val op mijn knieën, de handen op de oren. Boven me zie ik een brandende bol steeds groter worden.
Dit is onmogelijk. Dit behoort niet tot mijn leven!
De bol verbrandt mijn huid. Het geluid van zijn val maakt me doof door oorvernietigende herrie.
Hij is direct boven mijn hoofd.
En dan slaat hij in.
...
De werkdagarmen pakken de zwartgeblakerde restanten op en begraven ze formeel in de krater die een park was.
Buiten het koudstalen hek neemt de druk verder toe. Inslagen van leven hebben daar geen plaats.
Orgaanmelodie
Staal tegen huid.
Aanvankelijk verliest huid. Zijn vorm, zijn tijd, zijn maat.
Maar huid past aan.
En later verliest huid niet meer.
Maar er is geen winnen voor huid, noch staal. Er is saamhorigheid.
De strijd is een spel geworden.
Tonen ... vormen ... melodie
Orgaanmelodie
In de aanschijn van een rode zon
De afdronk van warm geluk
De zon staat laag aan de hemel als we uit de auto stappen. We verkeren allebei in de vermoeide rust van een rondreis, een vakantie. Op een kleine afstand ruist een diepblauwe zee haar kalmerende licht. Rechts is een kerkje op een klif. Het geloof kijkt wankel en klein uit over het zand en het water, beiden meer schoonheid uitstralend dan het tempeltje Gods.
Terwijl we het zand aanraken met schoenen en even later onze naakte tenen, zakt de zon verder in het water. Maar in plaats van te doven wordt zij warmer.
Samen met het broeiende zand voelen we onszelf licht worden. Zorgeloos, ongebonden aan een tijd, maar verbonden met elkaar en het omgevende. Ik pak een steen op en toon hem aan je. Oranje licht schijnt op je glimlach.
Over een paar minuten zal de zon helemaal onder zijn gegaan. Het kerkje begint een harde, zwarte silhouette te worden in een niet bijpassende vriendelijke omlijsting. Maar met het zwart worden, krimpt het ook en blijkt ongevaarlijk. Haar puntige toren prikt de rode lucht, maar doet haar niet bloeden. Nog niet.
We beseffen ons niet dat hier een vernietiging wordt ingezet. Dat dit hoogtepunt van geluk dat zo tijdloos in onze zielen wordt gebrand, tegelijk ook onze ontbinding betekent.
Wat zo sterk verenigt wordt, moet sneuvelen onder het eigen gewicht.
Honderdduizend lichtjaar verderop klapt een rode reus in elkaar en wordt een singulariteit. Een zwart gat is geboren.
Hier bereikt het rood haar grootste overwicht en creëert perfectie.
Het diepblauwe water wordt sterk, maar voorzichtig afgezet tegen zwarte kliffen en een zachtrood strand. In mijn hand ligt de steen zwoel.
Het rode licht toont je geluk totdat de tijd, azend op iedere vervolmaking, al het licht wegneemt en je uit mijn zicht doet verdwijnen. Een zacht briesje blaast één traan op mijn wang. Een voorbode van de zee die zal volgen. Even ben ik alleen en blind.
Terwijl we naar de auto terug lopen, doet onze herinnering ons levend voelen, levend zijn.
Groot geluk, rozige rust, verrukkelijke verbondenheid.
Alle illusies die de dood draaglijk maken.
Ik start de auto en ontsteek de lichten. Het duister wijkt schijnheilig voor hun onechte aanschijn. We rijden weg. Het einde zal spoedig inzetten. Wij vermoeden niets.
Rode rotsen worden bloedrode wonden, opgelopen aan puntige silhouetten.